Bij een ramp of crisis gelden voor de bestuurlijke leiding een aantal regels:
Bij een calamiteit of ramp van niet meer dan plaatselijke betekenis heeft de plaatselijke burgemeester de leiding. Hij stuurt dan de commandanten van de operationele eenheden aan.
In geval van een ramp of crisis van meer dan plaatselijke betekenis, of van ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, neemt de voorzitter van de veiligheidsregio het gezag over van de betrokken burgemeester(s). De voorzitter neemt pas besluiten na overleg met de betrokken burgemeester(s) tenzij de vereiste spoed zich daartegen verzet.
De voorzitter van het bestuur van de veiligheidsregio is tevens voorzitter van het Regionaal Beleidsteam (RBT). De voorzitter van de veiligheidsregio is ook de korpsbeheerder van de politie.
De voorzitter van het bestuur van de veiligheidsregio heeft de bevoegdheid het RBT bijeen te roepen.
Het RBT is belast met de bestuurlijke afstemming.
De voorzitter wijst een regionaal operationeel leider aan. Die neemt deel aan het RBT.
In het RBT zitten in ieder geval de burgemeesters van de getroffen gemeenten, de hoofdofficier van Justitie en de voorzitter van de betrokken waterschappen. Afhankelijk van de omstandigheden kan de voorzitter ook andere bestuurders en crisispartners uitnodigen deel te nemen aan de vergaderingen van het RBT. Dat zijn bijvoorbeeld, de HiD (Hoofd Ingenieur-Directeur) van VROM, VenW of Landbouw. Of de directeur van een relevante nutsvoorziening.
De voorzitter van het RBT geeft de regionaal operationeel leider de bevelen die hij nodig acht voor de uitvoering van de door hem genomen besluiten.